Joris van Lankforst

Komt uit Nimweghen en heeft gewerkt  in en rondom kasteel Duckenbourg (latijn : Duckemberg)

Zorgt voor zijn zus en haar tweeling. Als leerling touwslager is hij bezig dit mooie en belangrijke vak onder de knie te krijgen. Hij repareert tenten en is zowel hout- als metaalbewerker. Binnen de Hanzecompagnie maakt hij zich nuttig door de ridders te helpen met het aan- en uittrekken van de harnassen. Ook ondersteunt hij smid Isenhardt bij allerlei werkzaamheden.

Christine de Rossberc

“Christine de Rossberc,  Vrouwe te Rochsberg (D). Boogschutter,
pijlenmaker, naaien en borduren. Op reis door de Lage Landen om mensen het boogschieten te laten ervaren.  Naast de schietpraktijk ziet zij erop toe dat de nodige uitrusting op orde is en blijft.  Versterkt ook eens een geallieerde boogschutter compagnie in een (veld-)slag. Tevens hebben kleding en hoofdbedekkingen voor de dames haar aandacht, zodra zij naald, draad en stof in haar vingers heeft.

Haar levensspreuk: “Fortis et liber, ad tempus vitae! Operae pretium est!”

Sterk en vrij, voor het leven! Het is de moeite waard.”

Minneke

Ik ben Minneke, de vrouw van Isenhardt de smid. Als ambachtsmensen trekken wij mee met het kampement van de Ridders van de IJssel. Mijn ambachten zijn: spinnen, weven, naaien en vlechten. Ik neem altijd ongesponnen schapenwol mee, en mijn spintol. Met een spintol kan ik makkelijk onderweg garen spinnen van de wol. Dat garen gebruik ik weer om te weven op een klein weefraam. Verder naai ik met eigen hand de wollen en linnen kleding van Isenhardt en mij. Van kleine stukjes linnen maak ik tasjes en buideltjes, die je aan een riem kunt hangen. Ook vlecht ik op de vlecht-ster koordjes van gekleurde wol. Deze koordjes worden gebruikt voor de kleding en de tasjes.

Isenhardt

Mijn naam is Isenhardt de smid. Mijn vader was al smid in de Hanzestad Campen en als zijn zoon heb ik veel van hem mogen leren. Maar mijn vader wilde dat ik meer nieuwe dingen zou leren en stuurde me met een rivieraak van een bevriende Camper koopman mee om handelswaar te verkopen: vaten haring, zout, barnsteen en lakenstoffen. Onze rivieraak voer naar Deventer en Nimwegen, en vandaar verder naar Keulen. In deze bevriende Hanzesteden konden we onze handel gemakkelijk verkopen. Toen het schip in Keulen leeg was kocht onze koopman een scheepslading vol aardewerk: drinkbekers, jacobakannen, puntneuskruiken, drinkschalen en drieorenkruiken. Prachtig vond ik het. Toen ik hoorde dat het aardewerk 10 km verderop in het dorpje Frechen werd gemaakt, ging ik met de aardewerkhandelaar mee naar zijn dorpje. In Frechen leerde ik het vak om steengoed te maken: van klei tot en met het stoken in een zoutoven.

Na vijf jaren hard werken had ik veel geleerd, kratten vol aardewerk verdiend, en vertrok ik met alles wat ik had weer terug naar Campen. Daar werkte ik weer een tijd bij mijn vader in de smederij, maar het reizen naar het buitenland bleef trekken.

Dus monsterde ik een jaar later aan bij een koggeschip dat met een lading handel naar Lübeck en Wismar zou zeilen. De Ommelandvaart ging om Denemarken heen via het Skagerak en de Sont naar de Oostzee. Dankzij de speciale privileges van koning Abel van Denemarken werd elke kogge uit Campen gastvrij onthaald en dreven we goede handel. Toen we in Hanzestad Lübeck aankwamen zag ik een prachtige stad. Enkele dagen later besloten ik er te blijven, terwijl de Kamper Kogge verder zeilde naar Wismar.

Lübeck is een rijke Hanzestad met veel handel en vele ambachten. Bij een meestersmid van het gilde van Sint Elooi kon ik me verder in het smeden bekwamen en leerde daar ook het smeden van harnassen, speren, maatstafmessen en ander gerief. Ook kregen we steeds meer opdrachten om handbussen te smeden. Niet lang daarna ontwikkelde zich dit tot de bekende haakbus. Als je er zwart buskruit in deed gingen rovers en andere schavuiten door de knal als een haas op de loop.

En nu woon ik al weer jaren met Minneke in onze eigen Hanzestad Campen, en weet u ook hoe het gekomen is dat ik zowel smid als pottenbakker ben.